Het eerste thema waar ik mij nog tijdens de academietijd in verdiepte, was het grote wonder: de haast buitenaardse wereld van het ongeboren kind. Hierin kon
ik mijn teken- en schildertechnieken ontwikkelen. Tijdens het uitdiepen van het thema foetussen, kwam ik ertoe in houtskool, krijt en potlood op doek te gaan werken. Hierdoor behield het werk ten dele transparantie. Gelijktijdig met de ontdekking van het tekenen in potlood, houtskool en krijt op doek, kwam ik tot gemengde technieken, waarbij er een contrast ontstond tussen kleur en niet-kleur, door potlood te combineren met gesso, acryl of olieverf. Het transparante en dekkende naast elkaar, vormen ook een technisch uitgangspunt voor mijn portretten. Hierbij prepareer ik het doek ten dele transparant en ten dele dekkend (met gesso). De kleur van het doek is een steeds belangrijkere rol gaan spelen. De achtergrond is een dekkende laag (gesso, acryl of olieverf), terwijl het portret transparant op het doek is gezet. Zo steekt het portret scherp af tegen, of doemt het juist op uit de achtergrond. Het laat een contrast zien tussen het ruimtelijke (plastische) en het vlakke (de 'ruimte' van de achtergrond). Dit wordt nog eens versterkt doordat er over de rand door is geschilderd. De ongedefinieerde achtergrond vestigt de aandacht op het detail in het portret en maakt het werk bijna abstract.
|
Het portret van Marek is met potlood |
| tegenover het plastische), als inhoudelijk (de in zichzelf gekeerde gemoeds-toestand) |
| Opnieuw een voorbeeld van potlood op doek, maar hierbij is het doek wel eerst geprepareerd (transparant), waardoor de lijnen van het potlood harder en scherper zijn. De matte witte achtergrond (gesso) steekt af tegen de zachte kleur van het doek en plaatst haar in een ongedefinieerde ruimte of leegte. | ![]() |
| In haar portret is de huid, mond en neus heel licht aangezet, nauwelijks zichtbaar. Haar ogen daarentegen zijn zwaar opgemaakt en ook haar haar is gitzwart. Ze is kwetsbaar onder haar masker van make-up en haarverf. Het is bijna voelbaar wat er in haar omgaat. |
‘Ik sta in aanbidding voor een werk van Caravaggio – om hèm, als genie, om zijn meesterwerk – terwijl anderen de heilige vereren die is afgebeeld.’
In vrij werk gebruik ik citaten van grote meesters. Hun werk wil ik verheffen tot icoon van de kunst. De kunstenaar heeft ‘Het Goddelijke’ (de idee) zichtbaar voor anderen weten te maken. Het is daarom vooral een ode aan de kunstenaar en zijn werk. Het onderwerp ‘Godinnen’ versterkt het effect van heiligheid, maar roept tevens spanning op tussen het vereren van het werk, of het vereren van de afgebeelde heilige.
Hiermee refereer ik aan de strijd om de universalia (Scholastiek / Vroege Middeleeuwen) en het Neo-Platonisme (Humanisme / Vroegrenaissance) - filosofieën die zijn gebaseerd op de ideeënwereld van Plato. Tijdens de Scholastiek waren er twee partijen. De realisten gingen er vanuit dat de idee vóór de dingen kwam. Met andere woorden: God heeft alles eest bedacht voordat het bestond. Volgens de nominalisten daarentegen kwam de idee ná de dingen. Met andere woorden: de idee is een algemeen begrip die mensen aan dingen geven. Deze strijd werd door Abélard verzoend. Hij zei: ‘de idee is ìn de dingen!’ Met andere woorden: voor God was de idee vóór de dingen, voor mensen kwam de idee ná de dingen en voor de dingen is de idee ìn de dingen.
Met de opkomst van het Neoplatonisme en humanisme (niet theologisch) in de Vroege renaissance kreeg de kunstenaar een steeds hogere status. Dit kwam mede door de neoplatonist Marsilio Ficino. Voortbordurend op Abélard stelde hij dat de genie (de geniale kunstenaar) de idee zìet in de dingen (de wereld om hem heen) en die voor anderen zichtbaar weet te maken.
Heidense Godinnen als Christelijke Heiligen; het komt allemaal op hetzelfde neer. Elke Godin vindt haar equivalent in een Christelijke heilige. Heiligheid is Goddelijkheid en universeel. Zoals de archetypen van Jung: de universele idee.
Ik zie in alles en in elk mens de idee, als een vonkje ‘Goddelijkheid’. De genie kan deze universele idee – de absolute waarheid – zichtbaar maken voor anderen, waardoor het werk een universeel geldende en eeuwige schoonheid heeft.
![]() |
Lamia (naar George Frampton) Demon of heilige Godin? Haar uitstraling is ingetogen en warm. Verleidelijk doch maagdelijk. Is zij een muze? Is haar blik van een respectvolle naïviteit – als was zij een martelaar - of juist van een ondoorgrondelijke listigheid? Zij is Maria en tegelijk Maria Magdalena. Zij is vrouw, moeder, mystieke heilige. Maar als wij haar beschouwen, kunnen wij haar zien als een onderdanige, bescheiden jonge vrouw, die haar ogen neerslaat. Of als een heerseres, die neerkijkt op iets of iemand – |
haar slachtoffer? In haar worden tegenstellingen verenigd. De plaatsing van het werk aan de muur en uiteraard de lengte van de beschouwer bepalen dan ook welk karakter zij krijgt en welke sfeer overheersend wordt.
De Lamia is een fabelmonster Fabeldier uit de Griekse mythologie die leefde in de Libische woestijn. De Lamia is verwant aan de sirenen en de zeemeerminnen. Ze heeft iets weg van vampieren avant la lettre, vergelijkbaar met de Romeinse Lemures (Larvae). De Lamia verleidt graag jongemannnen en drinkt vervolgens hun bloed. Ook doodt en verslindt de Lamia kinderen. De Lamia zou een van de snelste dieren ter wereld zijn en elke prooi in kunnen halen. Het is een intelligent wezen: het doodt door list. Met haar zoete stem lokt ze reizigers naar zich toe. Aan zee, aan de rand van de woestijn, vermaakt de Lamia zich met het doden van schipbreukelingen. |
![]() |
De drie Godinnen staan voor:
|
De bomen staan voor:
- Verzoening van tegenstellingen
- Het ten Hemel stijgen
- De terugkeer naar de oorsprong (Moeder Aarde)
- Levensbron van kennis (Paradijs)
- De verbinding tussen: onderwereld (wortels), het aardse bestaan (stam) en de hemel (takken / kruin)


